Wapen van Veur                         Wapen van Stompwijk                  Wapen van Leidschendam

 

 

Op 1 januari 1938 werden de gemeenten Stompwijk en Veur samengevoegd onder de naam “Leidschendam”,
die al jaren in de volksmond werd gebruikt voor de bebouwing rondom de sluizen in de Vliet.
Deze gemeente bestaat dus nog maar 72 jaar; haar geschiedenis gaat echter terug tot kort na het begin
van onze jaartelling, waarin noch van Leidschendam, noch van Stompwijk en Veur sprake was.

Immers, in het jaar 47 na Christus, liet de Romeinse veldheer Corbulo
een gracht graven, later “Fossa Corbulonis” genoemd, waarvan thans wordt aangenomen,
dat het grootste deel hiervan samenvalt met wat wij “De Vliet” noemen.

Vondsten van Romeinse munten aan de Sluiskant bevestigen in elk geval
de aanwezigheid alhier van de Romeinse bezetters.
Oorspronkelijk bedoeld als een militaire vaarweg kreeg “De Vliet” langzamerhand
een belangrijke bestemming in het handelsverkeer, waaraan onze gemeente
in hoofdzaak haar opkomst heeft te danken.

Een belangrijk feit hierbij was de aanwezigheid van een dam in de Vliet,
“Houven-zijd-winde” geheten. Deze dam, beter bekend als landscheiding, liep
van de duinen tot in het veen onder Nootdorp en was al in 1246 aanwezig. Wat
de reden voor het leggen van deze dam is geweest, is niet met zekerheid te
zeggen, doch vermoedelijk zullen waterstaatsbelangen hierbij wel een rol
hebben gespeeld.

Vanzelfsprekend is deze dam een lastige hindernis voor het scheepvaartverkeer
geweest, voor de groei van Leidschendam was hij echter bijzonder belangrijk.
Waterstaats- en scheepvaartbelangen werden namelijk tot elkaar gebracht
door op de dam een zogenaamde overtoom te maken, waarvoor tol- recht
van grafelijke belening - werd geheven. De leenman, Willem van Naaldwijk, stelde
hiertoe in 1435 een tarief vast. Bovendien werd in 1488 toestemming verleend
om een spui of verlaat te maken.

In de eerste helft van de 15e eeuw komt nu ook de naam “Leytschendam”
in gebruik, wat duidt op toenemende belangrijkheid.

De aanwezigheid van de twee verlaten, die een aanmerkelijke verbetering
voor het scheepvaartverkeer betekenden, was evenwel een doorn in het oog van
de steden Gouda en Dordrecht, die zich danig in hun handelsrechten zagen belemmerd.
In de maand januari 1492 kwam een aantal personen uit deze steden naar
Leidschendam en sloeg duikers verlaten in stukken.
Na herstel bleef alleen een overtoom met twee windassen in stand,
waardoor kleinere schepen over de dam konden worden getrokken.
In 1506 werd één van de windassen vervangen door een duiker
voor de verversing van het water in Delft, dat ook toen al
last had van verzilting van het oppervlaktewater. Nadat in 1574, tijdens
het beleg van Leiden, de enige overtoom werd vernield en opnieuw hersteld,
heeft het tot 1648 geduurd voor er twee schutsluizen werden aangebracht. Het
scheepvaartverkeer kon toen onbelemmerd doorgang vinden, totdat grotere
scheepstypen andere eisen gingen stellen.

De verlaten werden daarom in 1866 afgebroken en nieuwe sluizen gebouwd,
dezelfde die nu nog aanwezig zijn.

Zoals opgemerkt, heeft de opkomst van Leidschendam alles met het
scheepvaartverkeer te maken en vestigden zich steeds meer mensen rondom
de dam. Het oponthoud van de vele schepen, die overgehaald - later geschut -
moesten worden, gaf vele neringdoenden handen vol werk. Allerlei bedrijven
vestigden zich; onder andere aan de zogenaamde “Horre”(thans gedeeltelijk
Delftsekade), waarop de plaats van het huidige café-restaurant “De Zwaan”
in 1594 al een korenmolen stond.

Aan de andere zijde van de Vliet werden de houtzaagmolen “de Salamander”
in 1643 en “De Hoop”in 1739 gesticht. Helaas is van deze molens alleen “De
Salamander”overgebleven.

Ook het aantal herbergen was legio, waarvan “ ‘t Eiland” aan de Veurse
zijde en “De Zwaan” aan de Stompwijkse kant van de Vliet wel de voornaamste
zijn geweest. In beiden werden de rechtdagen gehouden; zij speelden daarmee
tevens een rol in het plaatselijke bestuur. De herberg ‘t Eiland (niet te verwarren
met het gelijknamige, aan de Sluiskant gevestigde, bedrijf) is in 1870
gedeeltelijk uitgebrand en een aantal jaren later verkocht aan de R.K. parochie
om op deze plaats, na afbraak van het bestaande gebouw, een kerk te stichten.
Deze kerk kwam in 1880 gereed.

De toeneming van het aantal protestanten noodzaakte tot de bouw van een
hervormde kerk, waarin de eerste dienst kon worden gehouden op 2 november 1653.
Helaas brandde de kerk op 6 augustus 1693 tot de grond toe af, doch werd spoedig
herbouwd. Het ronde dak dat in 1865 nodig aan vernieuwing toe was, werd
in dat jaar vervangen door het huidige van piramidale vorm.

Stompwijk en Wilsveen

Naast het eigenlijke Leidschendam mogen Stompwijk en Wilsveen zeker niet
worden vergeten. De namen hiervan duiken in een ver verleden op, als de graaf
van Holland een begin maakt met de ontginning van de grote moerassige wildernis
in het midden van onze provincie.

Wilsveen dat, voorzover bekend, officieel in 1203 als nederzetting
wordt vermeld, dankt haar ontstaan goeddeels aan het baggeren van veen, dat
als turf in de nabij gelegen steden werd verkocht. Dit gaf aan zoveel mensen
werk, dat er behoefte ontstond aan een kapel, die gebouwd werd op een
oude verhevenheid in het moerassige land en gewijd was aan de maagd Maria.

De bedrijvigheid die het ‘slagturven”, zoals men het uitvenen noemde,
gaf, is echter tevens de ondergang van deze nederzetting geweest. Op het
laatst was er meer water dan land, zodat er werd overgegaan tot het droogmaken
van de verschillende plassen. Vele molens, nodig om het overtollige
water weg te malen, sierden het landschap, doch van de ruim 20 molens, die
omstreeks 1800 bestonden, zijn er nog maar een drietal voor het nageslacht
behouden gebleven.

Deze drie molens, beter bekend onder de naam van “De Drie Molens van
Stompwijk”, zijn eigendom van de provincie Zuid-Holland en vormen een toeristische
trekpleister bij uitstek.
Door vermindering van de werkgelegenheid trokken de veenarbeiders weg
en het kerkje, in de tijd van het beleg van Leiden verwoest, doch later herbouwd
en in handen van de reformatie overgegaan, raakte steeds meer in verval.
Aan het begin van de 19e eeuw waren er van de Hervormde gemeente nog
maar zo weinig leden overgebleven, dat de financiële lasten niet langer konden
worden gedragen. In 1820 werd daarom de kerk afgebroken en op dezelfde
plaats een begraafplaats gesticht, thans nog in gebruik bij de Hervormde Gemeente.

Was Wilsveen in aanzien gedaald, van het buurtschap Stompwijk kon bepaald
niet hetzelfde gezegd worden. In deze plaats bevond zich, na de reformatie,
een R.K. geestelijke, die in het geheim zijn ambt uitoefende. Velen, die de
moederkerk trouw waren gebleven, vestigden zich hier in dit stille poldergebied,
waar het mogelijk was vrij ongestoord zijn geloof te beleven in tegenstelling
tot het meer protestante Wilsveen, waar dit bepaalde moeilijkheden opleverde.
Tot op vandaag is Stompwijk zijn verleden trouw gebleven en voor bijna
100% R.K.; een niet onbelangrijk dorp, waar nog rust is, die in de steden
niet meer te vinden is.

Veur

De noordzijde van de Leidschendam werd Veur genoemd en was reeds voor
onze jaartelling bewoond. Opgravingen in het uitbreidingsplan “Prinsenhof”
hebben dit onomstotelijk vastgesteld, zodat wij mogen aannemen, dat dit gedeelte
van onze gemeente het oudst is. Het eerste bewijs van het bestaan van
de gemeenschap “Veur” vinden we terug in een lijst van goederen in het
bezit van de st. Martinuskerk te Utrecht. Deze lijst, gedateerd op 866 na
noemt Veur onder de naam “Fore”, dat afgeleid zou zijn van “Forum”,
terug te vinden in “Forum Hadriani”, dat algemeen als de Romeinse voorloper
van de naam Voorburg wordt gehouden.
Ook wordt wel gezegd, dat “Fore” een verbastering is van het Germaanse
woord ‘fuhra”, dat dennenbos betekent.

Hoe het ook zij, bossen waren er oudtijds zeker aanwezig, want in de
ambachtsheerlijkheid Veur lag nog een andere heerlijkheid, namelijk “Schakenbosch”,
dat vroeger bijzonder groot moet zijn geweest. In latere tijden werden
grote gedeelten gerooid en in 1569, toen de Heer van Wassenaar er een
kaart van liet maken, bedroeg de oppervlakte nog maar 47 hektaren. Aan de
rand van Schakenbosch werd omstreeks 1460 een kapel gesticht, gewijd aan
“St. Agatha”. Op de plaats van deze kapel, die tijdens het beleg van Leiden
werd verwoest, is thans de R.K. begraafplaats “St. Agatha” gelegen. Bovendien
is deze begraafplaats het enige duin, dat overgebleven is van de reeks, die
zich uitstrekte van Rijswijk tot Voorschoten, maar van lieverlede werd afgegraven
om in tuingrond te worden herschapen.

De ligging van Veur was zodanig, dat in het laatst der 17e eeuw en het begin
van de 18e eeuw vele aanzienlijke Hagenaars zich hier vestigden en fraaie
buitenverblijven lieten bouwen.
In deze tijd kwam tevens de tuinbouw tot ontwikkeling, waardoor grote
behoefte ontstond aan geschikte tuinbouwgrond, die in Veur in grote mate
voorhanden was.
Verschillende buitenplaatsen werden daarom, na het rooien van de houtopstanden,
in tuingrond veranderd. Een gedeelte hiervan wordt thans gebruikt als gemeentelijk
park.

Tot 1646 was de hoge heerlijkheid van Veur een onderdeel van de ambachtsheerlijkheid
Voorschoten en Veur; hierna werd Veur een afzonderlijke heerlijkheid,
zij het onder het bestuur van dezelfde ambachtsheer en dorpssecretaris.
De verkregen zelfstandigheid had dus meer een administratieve dan een bestuurlijke
betekenis. Eerst na de Bataafse omwenteling kwam hierin verandering.
Met de als zeer rustig bekend staande gemeente was het echter gedaan
toen in 1885 de stoomtram Leiden - Den Haag met een twee-uurdienst zijn intrede
deed. Daarna is de ontwikkeling niet meer te stuiten.
Door de verkregen goede verbinding werd Veur een plaats waar zich veel
forensen vestigden en waar later de meeste Leidschendammers zouden worden
gehuisvest.